Spijt

Op dit moment reis ik met mijn solo theaterprogramma door heel Nederland.
Enkele weken geleden moest ik optreden in Tholen en de Tom-Tom had mij tot op enkele honderden meters van het theater feilloos de weg gewezen. Toen ging er iets fout.  “Ga hier rechtsaf, zei de stem van het navigatiesysteem” .  Ik reed een smal pad op. Plotseling werd mijn doorgang versperd door een rood-wit paaltje.  Aan beide kanten een greppel dus keren was onmogelijk. Moeizaam over mijn schouder in het donker turend reed ik achteruit het smalle pad weer helemaal terug. Geen idee hoe ik bij het theater moest komen. Langs de kant van de weg, onder een lantarenpaal, zag ik een oude dame die haar hondje uit liet. Ik draaide het raampje van mijn auto naar beneden en vroeg haar of zij bekend was in deze omgeving. Ze reageerde niet. Ik deed het portier open,  stapte uit,  liep naar haar toe en herhaalde mijn vraag. Ze keek mij vriendelijk aan en zei dat zij mij niet verstond. Of ik even haar hond wilde vasthouden. Na wat gezoek bracht zij uit haar plastic boodschappentas een gehoorapparaat tevoorschijn en plugde dat omstandig in haar oor. Ze nam haar hond weer terug en vertrouwde mij toe “Voor mij hoeft het allemaal niet meer”. “Hoe bedoelt u“ vroeg ik. “Voor mij hoeft het niet meer” herhaalde ze. “Alleen omdat u de moeite hebt genomen uit uw auto te stappen om mij iets te vragen, doe ik mijn gehoorapparaat nog in. Verder maakt het mij niets meer uit.” “Hoe kom ik bij het theater” vroeg ik. “Geen idee” zei zij. Ik woon hier nog niet zo lang.  Het spijt mij dat ik je niet kan helpen”.  “Geeft niet, zei ik”. Ik hield haar hond weer even vast terwijl zij het gehoorapparaat terug in haar tas stopte en voor de derde keer mompelde “Voor mij hoeft het niet meer”. Ik wenste haar een goede avond en liet de eenzame vrouw met haar hondje achter mij. Toen ik ´s avonds na de voorstelling weg reed, zag ik haar tot mijn verbazing aan de overkant van de straat lopen. Ik toeterde en zwaaide maar besefte tegelijk dat zij niets kon horen . Het was een dikke twee uur rijden naar huis. Op een of andere manier kreeg ik haar beeld niet meer uit mijn hoofd. Haar vriendelijke triestheid, het feit dat zij zich letterlijk afsloot van de buitenwereld en vooral haar woorden “Voor mij hoeft het niet meer”. Ooit was ze jong, gezond en vol verwachting geweest. Vol hoop en dromen.  Ineens besefte ik dat ik iets had moeten doen. Een gebaar had moeten maken. Aandacht had moeten geven. Het was totaal geen moeite voor mij geweest. Ik had haar kunnen uitnodigen om naar mijn voorstelling te komen kijken. Zodat zij weer even onder de mensen was. Een kop koffie, een praatje, wat gezelligheid. Dat zou haar vast goed gedaan hebben.

Achteraf heb ik spijt dat ik dat niet heb gedaan.

Auteur: Hans Kazàn